Vindt je kat aanraking prettig, of tolereert hij het vooral?
Veel kattenbezitters herkennen het waarschijnlijk. Je kat ligt ergens lekker te slapen en je loopt langs. Even aaien. Of hij zit naast je en je tilt hem op om hem een knuffel te geven. Hij spartelt niet tegen, dus blijkbaar vindt hij het prima.
Maar is dat eigenlijk wel zo?
Een nieuw onderzoek, gepubliceerd in augustus 2026 in het Journal of Feline Medicine and Surgery, geeft een interessante nieuwe kijk op de manier waarop onze katten menselijke interactie ervaren. De onderzoekers keken niet alleen naar het gedrag van de katten, maar maten ook veranderingen in twee hormonen: cortisol en oxytocine. Hun resultaten suggereren dat het voor een kat behoorlijk verschil kan maken of hij zelf invloed heeft op het contact met zijn eigenaar.
En dat is interessant voor iedereen die met katten samenleeft of professioneel met katten werkt.
Wat onderzochten de wetenschappers?
Aan het onderzoek deden twintig volwassen, gecastreerde huiskatten uit Guangzhou in China mee. De katten waren gemiddeld iets ouder dan drie jaar en woonden minimaal vier maanden bij hun eigenaar. Iedere kat maakte op verschillende dagen vier situaties van tien minuten mee in zijn eigen huis.
Bij geen interactie reageerde de eigenaar niet op de kat, ook niet wanneer die toenadering zocht.
Bij passieve interactie nam de eigenaar zelf geen initiatief. Maar zodra de kat contact zocht, reageerde de eigenaar daar positief op met bijvoorbeeld praten, oogcontact of aaien. Zodra de kat weer wegliep, stopte ook de interactie.
Bij actieve interactie mocht de eigenaar zelf contact beginnen, bijvoorbeeld door tegen de kat te praten, oogcontact te zoeken en hem op prettige plekken aan te raken. De kat werd daarbij niet fysiek beperkt.
En bij opgedrongen interactie werd juist contact gebruikt waarbij de bewegingsvrijheid van de kat werd beperkt of tegen zijn voorkeur werd ingegaan, zoals oppakken, vasthouden of knuffelen en aanraking van lichaamsdelen die katten gemiddeld minder prettig vinden.
Dat onderscheid is belangrijk. Met “passief” bedoelen de onderzoekers dus niet dat de eigenaar de kat negeerde. Integendeel: de eigenaar reageerde juist op contact, maar liet de kat bepalen wanneer het begon en wanneer het weer ophield.
Wat gebeurde er in het lichaam van de kat?
Voor en na iedere situatie verzamelden de onderzoekers speeksel en bepaalden daarin de concentraties cortisol en oxytocine. Cortisol wordt vaak gebruikt als indicator voor activatie van het stresssysteem. Oxytocine speelt onder andere een rol bij sociale interactie en hechting, hoewel de betekenis ervan complexer is dan de populaire benaming “knuffelhormoon” doet vermoeden.
En juist daar werd het interessant.
Na de passieve interactie daalde het cortisolgehalte significant, terwijl de hoeveelheid oxytocine toenam.
Bij de opgedrongen interactie zagen de onderzoekers het tegenovergestelde patroon: cortisol nam significant toe, terwijl de oxytocinereactie minder gunstig was dan bij de passieve interactie.
Dat levert fysiologische ondersteuning voor een principe dat binnen moderne kattenzorg al langer centraal staat:
een kat zoveel mogelijk keuze en controle geven over sociale interactie.
Toestaan is niet hetzelfde als kiezen
Dat vind ik persoonlijk misschien wel de belangrijkste praktische boodschap uit het onderzoek. Katten zijn er vaak heel goed in om menselijke handelingen te tolereren. Een kat die wordt opgepakt hoeft niet onmiddellijk te krabben, bijten of weg te springen. Sommige katten blijven simpelweg zitten. Voor ons mensen is het verleidelijk dat te interpreteren als:
"Hij vindt het prima." Maar tussen “dit vind ik prettig” en “ik verdraag dit” zit een behoorlijk groot gebied.
De studie bewijst natuurlijk niet dat iedere kat die blijft zitten terwijl hij wordt geknuffeld heimelijk gestrest is. Maar de resultaten maken wel aannemelijker dat we bij katten niet alleen moeten kijken naar of ze protesteren, maar ook naar de vraag hoeveel zeggenschap ze hebben over de interactie.
Dat betekent bijvoorbeeld dat je tijdens het aaien regelmatig even kunt stoppen. Komt je kat vervolgens weer naar je hand toe, geeft hij een kopje of zoekt hij opnieuw contact? Dan heb je veel duidelijkere informatie over zijn voorkeur dan wanneer jij twintig minuten blijft door-aaien omdat hij nog niet is weggelopen.
In gedragswetenschappelijke termen hebben we het dan over agency: de mogelijkheid van een dier om keuzes te maken en invloed uit te oefenen op wat er met hem en om hem heen gebeurt. En agency is een belangrijk onderdeel van goed dierenwelzijn.
Niet iedere kat reageert hetzelfde
De onderzoekers gingen nog een stap verder. Voorafgaand aan het experiment werden de katten met een zogenaamde Secure Base Test ingedeeld in drie mogelijke hechtingsprofielen: veilig, angstig-onveilig en vermijdend-onveilig.
Daarbij bleken interessante verschillen op te treden.
Katten die als mogelijk veilig gehecht waren geclassificeerd, reageerden fysiologisch relatief gunstig op menselijk contact. Bij katten uit de andere twee groepen nam cortisol gemakkelijker toe. Opvallend genoeg leek bij deze katten zelfs actieve maar niet-dwingende interactie, waarbij de eigenaar dus zelf het initiatief nam, soms meer op de opgedrongen situatie te lijken.
De onderzoekers stellen daarom dat niet alleen hoe we een kat aanraken belangrijk kan zijn, maar ook welke individuele kat we voor ons hebben. Daar zit wat mij betreft een bredere les in die ik in mijn werk als kattengedragstherapeut voortdurend tegenkom. De vraag is zelden "Vinden katten dit prettig?", maar "Vindt deze kat, in deze situatie, dit prettig?"
Wat betekent dit voor het welzijn van katten?
De resultaten sluiten aan bij een bredere ontwikkeling binnen onderzoek naar dierenwelzijn. Goed welzijn betekent niet alleen dat een dier geen pijn, angst of ziekte ervaart. Steeds meer aandacht gaat uit naar de mogelijkheid om positieve ervaringen te hebben en zelf invloed te kunnen uitoefenen op de omgeving.
Voor mens-katcontact betekent dat bijvoorbeeld:
- Laat een kat waar mogelijk zelf toenadering zoeken
- Geef hem tijdens aanraking regelmatig de gelegenheid om opnieuw te kiezen
- Voorkom vasthouden
- Let op kleine signalen waarmee een kat aangeeft dat hij genoeg heeft gehad
- Accepteer dat sommige katten veel lichamelijk contact prettig vinden, terwijl andere katten liever gewoon bij je in de buurt zijn.
Dat laatste wordt soms onderschat. Een kat die op een meter afstand naast je op de bank ligt, kan heel bewust voor sociale nabijheid kiezen zonder behoefte te hebben aan voortdurend lichamelijk contact. Menselijke liefde wordt nogal eens uitgedrukt door méér te doen. Bij katten kan goed luisteren juist betekenen dat je soms iets niet doet.
Ook relevant voor kattenprofessionals
Voor kattenoppassers, trimmers, dierenartsen en andere professionals is deze studie minstens zo relevant. Juist tijdens noodzakelijke verzorging kunnen we niet altijd volledig aan de kat overlaten wat er gebeurt. Een kat moet soms onderzocht worden, medicatie krijgen, gekamd worden of nagels laten controleren.
“Keuzevrijheid” betekent dan ook niet dat een kat alles zelf mag beslissen. Maar binnen die noodzakelijke handelingen kunnen we vaak verrassend veel keuze teruggeven. Door niet meteen vast te pakken. Door een kat zelf uit zijn reismand te laten komen als dat mogelijk is. Door korte pauzes in te bouwen. Door minder restrictieve handling te gebruiken. Of door tijdens een trimbehandeling goed te beoordelen wanneer de kat toe is aan een moment zonder aanraking.
Agency is dus geen alles-of-nietsprincipe. Zelfs wanneer wij uiteindelijk moeten bepalen wat er gebeurt, kunnen we de kat vaak nog behoorlijk veel invloed geven op hoe het gebeurt.
Maar: twintig katten maken nog geen wetenschappelijke waarheid
Het onderzoek is interessant, maar er zijn belangrijke kanttekeningen. Allereerst waren er slechts twintig katten. De onderzoekers erkennen zelf dat dit een belangrijke beperking is. Bovendien ging het om een specifieke populatie jonge volwassen huiskatten uit één Chinese regio. We kunnen de exacte resultaten daarom niet zonder meer generaliseren naar alle katten.
Ook de indeling in hechtingsstijlen verdient voorzichtigheid. De onderzoekers spreken in de uiteindelijke publicatie bewust over “potential attachment styles”. De Secure Base Test is bij katten nog onvoldoende gevalideerd en er bestaat wetenschappelijke discussie over de vraag of wat ermee gemeten wordt werkelijk hechting is, of bijvoorbeeld ook persoonlijkheid en algemene sociale responsiviteit weerspiegelt. De auteurs benoemen dat zelf expliciet.
En dan zijn er de hormonen. Een hoger cortisol betekent niet automatisch “de kat voelt zich slecht”, net zoals een hogere oxytocinespiegel niet simpelweg betekent “de kat voelt liefde”. Cortisol verandert ook door algemene arousal en oxytocine kan óók stijgen tijdens stress. De onderzoekers waarschuwen daarom dat de hormonale veranderingen niet rechtstreeks vertaald mogen worden naar een positieve of negatieve emotionele toestand. Dat is een belangrijke nuance.
Deze studie bewijst dus niet dat iedere opgedrongen knuffel schadelijk is en evenmin dat iedere passieve interactie een kat gelukkig maakt. Wat de studie wel doet, is experimentele fysiologische gegevens toevoegen aan een groeiend corpus van onderzoek waarin hetzelfde principe terugkomt: katten lijken baat te hebben bij menselijke interacties die rekening houden met hun signalen, voorkeuren en mogelijkheid om zelf keuzes te maken.
Misschien moeten we dus een andere vraag stellen
Soms vragen eigenaren mij: "Hoe weet ik of mijn kat van me houdt?" Maar een veel interessantere vraag zou zijn: "Hoe laat ik mijn kat merken dat ik naar hém luister?" Soms is dat door te aaien. Soms door te spelen. Soms door gewoon samen op de bank te zitten. En soms door die uitgestoken hand gewoon even bij jezelf te houden.
De kunst zit niet in zo veel mogelijk contact hebben met je kat. De kunst zit in contact hebben waar beiden voor kiezen.
Bron
He X, Huang H, Chang H, et al. The hormonal effects of owner-cat interactions on pet cats of different potential attachment styles. Journal of Feline Medicine and Surgery. Online gepubliceerd op 5 augustus 2026. DOI: 10.1177/1098612X261478281.
Lees het oorspronkelijke, open-access onderzoek in Journal of Feline Medicine and Surgery











